Ik stond daar voor die muisstille zaal. Ik was gelukkig. Tot het gefluister begon, het onderdrukte gegiechel. En de harde waarheid tot me doordrong.
De mensen dachten dat ze naar een voorstelling zaten te kijken. Een enge voorstelling, dat wel. Van iemand die zich misschien iets te veel inleefde in zijn rol, zich net te veel had verdiept in de waanzin die hij wilde verbeelden. Maar toch. Een voorstelling.
Tevreden lieten ze zich achterover zakken. Straks gingen de lichten aan, de deuren open, misschien nog een drankje in de lobby, maar dan moesten ze toch echt op huis aan.
Alleen die man, de man op de eerste rij.
Hij keek me aan, smekend. Op zijn voorhoofd stonden glimmende druppeltjes zweet, zijn handen trilden. Hij boog voorover, pakte iets onder zijn stoel vandaan, vouwde het uit. Het was een windjack, een paars windjack. Hij viste een zakdoekje uit een zijzak, depte zijn voorhoofd.
Zijn dochter, die de hele avond verveeld om zich heen had zitten kijken, leek eindelijk te merken dat er iets mis was. Ze fluisterde iets in haar vaders oor. Hij antwoordde niet. Ze kneep in zijn hand. Geen reactie. Ze knoopte het bovenste knoopje van zijn overhemd los, met een papieren zakdoekje veegde ze het zweet van zijn voorhoofd.
Haar vader pakte haar hand, kneep hem bijna fijn, zijn gezicht dicht bij het hare, asgrauw, drijfnat.
‘Help me,’ bracht hij steunend uit, ‘alsjeblieft, help me…’
Uit het verhaal ‘Macht’

